Geeft kleur aan grijs
 














De vergrijzing: een vergelijking

In Nederland groeit het aantal 50+ers aanzienlijk, maar wat is de situatie in de andere Europese landen? Een overzicht van de ontwikkelingen met betrekking tot 50+ers in Europa; aantallen, arbeidsparticipatie en gezondheidszorg.

Sterke groei

Hoewel de vergrijzing ook in Nederland in volle gang is, ligt deze op Europees niveau laag. Gemiddeld was in 2004 17% van de bevolking van Europa 65 jaar of ouder, terwijl dat in Nederland 14% was.

Tot 2025 zal het percentage 65+ers in de Europese Unie naar verwachting met ruim een derde toenemen. De groei in Nederland ligt een stuk hoger. Hier zal het aandeel 65+ers maar liefst de helft toenemen (A. Verweij, RIVM).

De vergrijzing is in Nederland, in vergelijking met andere Europese landen, laag door een aantal factoren. Ons land kreeg na de Tweede Wereldoorlog te maken met een van de hoogste en langdurigste geboortegolven in Europa. Daarnaast was in Nederland lange tijd het gezinsideaal: een buitenshuis werkende vader en een voor veel kinderen zorgende moeder. Het aantal kinderen per gezin daalde namelijk pas vanaf 1970. Tot slot was de levensverwachting in Nederland hoger dan in andere Europese landen. Dit alles zorgt ervoor dat de vergrijzing in Nederland nu lager ligt, maar op

het moment dat de na-oorlogse generatie 65 wordt (vanaf 2010) sterk toeneemt (Beets, Nidi).

Groot informeel netwerk

In 2007 ondervindt gemiddeld 14% van de 50+ers in Europa verzorgingsproblemen door lichamelijke of psychische klachten. In de Zuid- Europese landen ligt dit percentage met 16% hoger dan gemiddeld. Nederland ligt met 13% net iets onder het gemiddelde van Europa (Sociaal Cultureel Planbureau).

Van de 50+ers met een verzorgingsprobleem ontvangt ongeveer 30% formele hulp, 40% krijgt alleen informele hulp en 30% helemaal niets. Nederlandse 50+ers met verzorgingsproblemen ontvangen naar verhouding veel vaker formele hulp (42%) en zijn minder afhankelijk van alleen maar informele hulp (25%) (Sociaal Cultureel Planbureau). 

Wanneer familie- en gezinsleden niet worden meegerekend heeft in Europa 60% van de 50+ers met een verzorgingsprobleem een informeel netwerk om op terug te vallen. In Nederland ligt dit met 67% iets hoger, met name door het hoge aantal niet voltijd werkende vrouwen (Sociaal Cultureel Planbureau) 

Dalende beroepsbevolking

Een groot aantal landen in de EU verliest zo’n 15% van de beroepsbevolking in het komende decennium. Naast onder andere de Scandinavische landen geldt dit ook voor Nederland (European Foundation for the improvement of Living and Working Conditions (Eurofound), februari 2007).

Aangezien deze daling van de beroepsbevolking nadelige gevolgen heeft, is er in het verdrag van Lissabon (2000) door de Europese Unie besloten om de arbeidsparticipatie onder ouderen te verhogen tot 50% in 2010. Onder andere door het vervroegd uittreden niet te stimuleren. Daarnaast wil men het ‘leven lang leren’ bevorderen zodat senioren niet minder capabel zijn dan jongeren en tenslotte door de werkomstandigheden te verbeteren. Verwachting is dat in 11 van de lidstaten het percentage in 2010 boven de 50% uitkomt, maar dat de gemiddelde arbeidsparticipatie van alle Europese lidstaten pas in 2013 meer dan de helft zal zijn.

Aan de senioren ligt het niet. Uit onderzoek blijkt dat van de Europese bevolking van 15 jaar en ouder 45% vindt dat mensen te vroeg met pensioen gaan. Terwijl van de 55+ers en van de gepensioneerden meer dan de helft vindt dat men te vroeg met pensioen gaat. Blijkbaar willen zij dus wel langer werken(The Journal, 2007).

De Nederlanders die toch met pensioen gaan, hoeven zich, in ieder geval ten opzichte van hun Europese mede-senioren, over het algemeen geen zorgen te maken over hun financiën. Nederlandse huishoudens hebben bij pensioenfondsen en levensverzekeraars een flinke voorziening opgebouwd. Met deze pensioenvoorzieningen loopt Nederland voor op alle landen van de EU. Denemarken volgt op een tweede plek, terwijl Oost –Europa ver achter blijft (CBS).

Terug naar de nieuwsbrief