Langzaam begint tot de meeste mensen door te dringen dat doorwerken tot hun pensioen nodig is, misschien zelfs onvermijdelijk.
De overheid schermt al jaren met het dreigende spook van de vergrijzing. Alles zou onbetaalbaar worden.
Misschien praten we onszelf echter alleen maar een probleem aan, meent professor Paul de Beer.
De bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam ziet de discussie over
langer doorwerken met gemengde gevoelens aan. De overheid doet er alles aan om ouderen tot hun 65ste
jaar aan de slag te houden en het lijkt of die boodschap overkomt. Zie het resultaat van de grote
enquête arbeidsomstandigheden, die minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) begin mei naar de Tweede
Kamer stuurde. „Meer mensen willen langer doorwerken,” kopte het persbericht van het departement.
De Beer ziet dat anders. "Intenties zeggen niets over het feitelijke gedrag van mensen," meent hij.
Weliswaar zijn mensen ervan doordrongen dat het niet alleen een zegen is dat we met zijn allen ouder
worden. "De overheid hamert maar op de kosten, waardoor mensen onzeker en bang worden. Dan maar langer
werken, denken ze."
De enquête zegt echter niet alles, denkt De Beer. "Meer mensen zeggen te willen doorwerken tot hun
65ste, maar dat betekent niet dat ze dat ook doen. Ik moet nog zo’n vijftien jaar en ik weet ook nog
niet wat ik zal doen." In andere onderzoeken waarin mensen wordt gevraagd op welke leeftijd ze willen
stoppen, noemt maar een heel klein percentage 65 jaar, weet de hoogleraar. "Opmerkelijk is dat juist
veel jongeren aangeven het op hun 60ste wel genoeg te vinden."
Eigenlijk heeft de overheid maar heel weinig invloed op het moment van stoppen. Het kabinet heeft een
streep gezet door de vut en het prepensioen moeilijker gemaakt. Dat heeft wel enig effect. Minister Donner
kan op de trom blijven slaan over doorwerken. "Maar het feitelijke gedrag van mensen hangt af van andere
omstandigheden. Hoe gaat het op het werk en hoe zit het privé? Als een partner nog werkt zal de oudere
werknemer willen doorwerken, maar als een van de twee kan stoppen zal de ander er ook mee ophouden."
Het aan de slag houden van ouderen is volgens de politiek nodig om de kosten van de vergrijzing te betalen.
Als er minder mensen werken, komt er minder geld in de schatkist. Donner probeert echter vooral arbeid zo
goedkoop mogelijk te maken voor werkgevers, vindt De Beer. "Blijkbaar denkt de overheid dat ouderen geen
keus hebben en wel moeten doorwerken. Niets is minder waar. Heel veel ouderen kunnen het zich veroorloven
eerder te stoppen. De kinderen zijn zelfstandig, de hypotheek is voor een groot deel afbetaald. Mensen zijn
bereid een forse stap in inkomen terug doen." Om mensen langer te laten doorwerken, is het volgens De Beer
dan ook beter hen te verleiden in plaats van te straffen door bijvoorbeeld ‘ontziedagen’ te schrappen. "Als
je mensen langer wil laten doorwerken, moet je het juist aantrekkelijker voor ze maken."
In plaats van iedereen langer te laten werken, zijn er volgens Paul de Beer ook andere oplossingen om het
nijpende personeelstekort op te lossen. "Dat kan door technologische ontwikkelingen en door het uitplaatsen
van bedrijven. Er zijn nog genoeg Indiërs en Chinezen die voor ons kunnen werken. We zien een bedrijf dat
verhuist als een verlies, maar het misschien wel dé oplossing voor een vergrijzende samenleving."
De laatste mogelijkheid is af te zien van economische groei. "Ook als we niets doen, houden we onze welvaart
op peil door de groei van productiviteit. Waarom willen we steeds maar meer? We hebben het al zo goed en nog
meer leidt niet tot een groter geluksgevoel," zegt De Beer. De arbeidsparticipatie in Nederland is nog nooit
zo hoog geweest, de welvaart nooit zo groot. "Eigenlijk hebben we geen problemen op sociaaleconomisch gebied.
We dénken alleen dat we een probleem hebben."