Einde vergrijzing in zicht, bevolkingskrimp nieuwe realiteit
Een langetermijnvisie
Nederland vergrijst door een stijgende levensverwachting en een dalend kindertal. Een baby die vandaag wordt geboren
heeft volgens de huidige inzichten een behoorlijke kans om de volgende eeuw te halen. Verder kozen onze voorouders,
toen ze merkten dat een groter deel van hun kinderen in leven bleef, voor kleinere gezinnen. Sinds de introductie
van de moderne geboorteregeling is het kleine gezin standaard geworden. Het kindertal is nu zo laag dat het op termijn
ook tot bevolkingskrimp leidt. In sommige regio’s van Nederland is het al zover. Niet iedereen is daar even gelukkig
mee: Nederland zou uitsterven. Maar is krimp niet veeleer een ‘uitdaging’ die nieuwe perspectieven biedt?
Het kindertal is verreweg de belangrijkste demografische variabele die de omvang en samenstelling van een bevolking
bepaalt. De leeftijds-opbouw op een willekeurig moment weerspiegelt het aantal levendgeborenen in de voorafgaande
decennia. Als de curve daarvan ups en downs vertoont, gaan die een leven lang mee. Zo is in de leeftijdsopbouw van
2008 nog steeds het hobbeltje zichtbaar van de overigens maar kleine geboortegolf van pal na de Eerste Wereldoorlog
– de overlevenden daarvan zijn nu bijna 90 jaar oud –, maar natuurlijk veel duidelijker de excessieve geboortegolf
van na de Tweede Wereldoorlog (figuur 1).
Het kindertal daalt sinds 1870 en Nederland vergrijst daardoor al meer
dan een eeuw. Het percentage 65-plussers, een van de meest gebruikte vergrijzingsindicatoren, staat nu op 15
(zie figuur 2).
De stijging van dat percentage heeft in de afgelopen eeuw geen grote problemen opgeleverd voor
de samenleving. De vergrijzing verliep langzaam en voorspelbaar en de maatschappij heeft zich aangepast. Het
verdere verloop van de vergrijzing zal niet zoveel anders zijn. Wel zal deze sneller gaan verlopen, vooral doordat
de naoorlogse geboortegolf tot de 65-plussers gaat behoren. Maar daarmee komt ook het einde van de vergrijzing in
zicht. De vraag is dan ook waarom er zoveel ‘paniek’ is over het verdere verloop van de vergrijzing.
Het toekomstige verloop van de vergrijzing Demografen zien vergrijzing als het proces van veroudering, de verandering
van de leeftijdsopbouw van een bevolking van een relatief jonge naar een veel oudere. De ouderdom, dat wil zeggen de
mate van ‘vergrijsdheid’, neemt toe. Dat proces is echter niet oneindig: blijven geboorte-, sterfte- en migratiecijfers
een eeuw lang constant, dan neigt iedere bevolking, ook een krimpende, naar een constante leeftijdsopbouw. In Nederland
zal de vergrijzing – de stijging van het aandeel ouderen in de bevolking – over enkele decennia stoppen. De bevolking is
dan wel gemiddeld zo’n 45 jaar oud, tegen 28 jaar een eeuw geleden en 39 jaar nu. Dat is een forse verandering. In Europees
perspectief kenmerkt Nederland zich echter door een relatief gematigde vergrijzingstrend. De in verhouding tot andere landen
omvangrijke en langdurige naoorlogse geboortegolf hield de Nederlandse bevolking eerst relatief jong maar geeft het percentage
65-plussers nu een extra impuls omhoog. Naar verwachting ebt dat effect na 2038 weg, wanneer de kleinere geboortecohorten
vanaf 1970 de 65-jarige leeftijd bereiken. Per saldo komt er dan een einde aan de vergrijzing: het percentage 65-plussers
in Nederland daalt van circa 25 procent (op de top in 2038) naar circa 23 rond 2050 (zie figuur 2). Dat is ‘maar’ 8 à 10
procentpunten hoger dan de 15 procent van nu. De planners van Nederland moeten zich dus daarop richten. Nederland zal zeer
waarschijnlijk wat minder vergrijsd blijven dan veel van de omringende landen: volgens de zojuist verschenen
bevolkingsprognoses van Eurostat (het Statistisch Bureau van de Europese Unie) blijft Nederland behoren tot de
Europese middenmoot, met percentages 65-plussers net iets onder het EU- gemiddelde. In figuur 2 is ook te zien dat
de ontgroening nagenoeg tot stilstand komt, terwijl het percentage 20-64-jarigen zal dalen. De totale ‘demografische
druk’, het aantal afhankelijken per (economisch) onafhankelijke, zal dus stijgen.
Bevolking als supertanker
Als het kindertal tot onder het zogenoemde vervangingsniveau (zie kader) daalt komt niet alleen vergrijzing maar op
termijn ook bevolkingsdaling in beeld. Dat dat laatste even duurt, komt doordat een bevolking een uiterst log lichaam
is dat slechts met een geweldige inertie verandert. Je moet al heel vroeg ‘de supertanker’ beginnen bij te sturen om
veel later goed uit te komen. Van alle mensen levert 97 procent van jaar op jaar geen andere bijdrage aan de leeftijdsopbouw
dan dat ze ieder jaar precies één jaar ouder worden. Een ‘onregelmatigheid’ moet heel groot zijn wil deze op landelijk niveau
demografisch waarneembaar zijn: de watersnoodramp van 1953 met ruim 1.800 dodelijke slachtoffers valt in de landelijke sterftestatistiek
nauwelijks op, wel uiteraard in die van Zeeland. Kleine lokale bevolkingen zijn vaak erg gevoelig voor demografische verstoringen.
Vooral de vaak minder goed voorspelbare migratiebewegingen kunnen daar behoorlijke effecten hebben.
Geboorte, sterfte en migratie
Tegen vergrijzing en bevolkingskrimp is weinig te doen. De demografische processen geboorte, sterfte en migratie zijn goeddeels
onafhankelijk van elkaar en dragen elk op eigen wijze bij aan de omvang en leeftijdssamenstelling van een bevolking. Geprobeerd
kan worden om het aantal geboorten te laten verhogen door maatregelen te nemen die mensen stimuleren om meer kinderen te krijgen,
maar veelal blijkt later dat zij hetzelfde aantal kinderen nu alleen wat eerder hebben gerealiseerd. Begin jaren negentig verruimde
Zweden om emancipatorische redenen het betaalde ouderschapsverlof van 24 naar 30 maanden. Dat leidde vervolgens massaal tot ‘eerder
kinderen krijgen’, en tot ‘het tweede kind sneller na het eerste’ maar niet tot uiteindelijk ‘meer kinderen’ per vrouw. Gevolg:
eerst een geboortegolf, daarna een ‘geboortedal’. Dat kwam mede doordat de maatregel financieel onhoudbaar bleek en daarom na
enkele jaren ongedaan moest worden gemaakt. Gevolg is dat Zweden nu een geweldige en dure inspanning moet leveren om die geboortegolf
te faciliteren, ruim 80 jaar lang. Stijging van de levensverwachting kan het krimpproces vertragen en bevordert de vergrijzing maar
dat speelt uiteindelijk slechts een bescheiden rol. De naoorlogse geboortegolf is erg groot en zal een keer uitsterven: er overlijden
straks gewoon meer mensen dan er worden geboren.
Meer (jonge) mensen uit een ander land laten immigreren is al evenmin een oplossing. De komst van (veelal jonge) migranten heeft maar
een heel licht dempend effect op vergrijzing en krimp. Aanvankelijk biedt dat laatste wellicht enig soelaas, ook tegen krapte op de
arbeidsmarkt, maar op de langere termijn gaan verschillende landen/bedrijven elkaar beconcurreren om dezelfde migranten. Vergrijzing
is immers een wereldwijd fenomeen. Het aantal potentiële immigranten wordt uiteindelijk steeds schaarser en hun vertrek leidt tot
extra vergrijzing in het land dat ze verlaten. Daar zitten die landen niet op te wachten want ze willen vooral hun beter opgeleide
jongeren natuurlijk behouden.
Een fatsoenlijk bestaan
Omdat we al eeuwen gewend zijn aan bevolkingsgroei kunnen we ons nauwelijks voorstellen dat de bevolkingsomvang zal gaan dalen.
Toch blijkt uit onderzoek dat een substantieel deel van de bevolking voorkeur heeft voor een Nederland met een kleinere bevolkingsomvang.
In 1965 werd geschrokken gereageerd op de bevolkingsprognose van het CBS waaruit bleek dat Nederland rond het jaar 2000 meer dan 20 miljoen
inwoners zou tellen. Nu wordt voorzien dat het inwonertal langzaam oploopt tot een top wordt bereikt van 17 miljoen mensen, waarna de
bevolking ook weer langzaam gaat krimpen. Wereldwijd groeit de bevolking nog fors. De Verenigde Naties verwachten volgens de middenvariant
van hun bevolkingsprognose later deze eeuw een mogelijke stabilisatie rond tien miljard inwoners (tegen 6,7 miljard nu). Dat kan alleen
als het kindertal aanzienlijk daalt. Als het kindertal vanaf het jaar 2000 constant zou blijven, groeit de wereldbevolking tot 50 miljard
aan het eind van de 21ste eeuw. Behalve dat het dan behoorlijk veel voller zal worden, moet de vraag worden gesteld of al die mensen
adequaat kunnen worden gevoed en een fatsoenlijke levensstandaard kan worden geboden. Een natuurlijk verloop van bevolkingsgroei naar -krimp
biedt kansen op een overzichtelijker wereld. Een duurzame wereldbevolking met over een paar eeuwen bijvoorbeeld maar vier miljard inwoners,
onder wie tien miljoen Nederlanders, zal in plezierig evenwicht kunnen leven met de schaarse middelen nodig voor een fatsoenlijk bestaan voor
ieder. In het voetspoor van de Staatscommissie Bevolkingsvraagstukken (Staatscommissie-Muntendam; eindrapport in 1976) zal mogelijk ooit
worden bedacht dat een stationaire bevolking ideaal is, dat wil zeggen een bevolking die niet verandert in omvang en in leeftijdsopbouw
doordat het aantal geborenen, overledenen en migranten van jaar op jaar constant is. Met enige fantasie hoeven veel ‘Prinsjesdagvoorstellen’
dan niet meer van jaar op jaar te veranderen. Vraag en aanbod van veel goederen en diensten zijn constant want ook de omvang van de totale
en de economisch actieve bevolking zijn goed op elkaar afgestemd. Er is nauwelijks werkloosheid, wel de nodige vernieuwing, verversing en
doorstroming op de arbeidsmarkt. Er zijn geen files meer terwijl de grond, de lucht en het water schoon zijn. Een dergelijke samenleving
zouden velen graag aan hun nakomelingen willen doorgeven, maar dan moeten ze nog wel even geduld hebben. Met het huidige kindertal duurt
het nog zeker tot het jaar 2500 voordat Nederland zelfs maar in de buurt komt van die tien miljoen inwoners. Iemand die nu wordt geboren
en minstens 100 jaar wordt zal waarschijnlijk niet meemaken dat Nederland minder dan 16 miljoen inwoners zal tellen. Voor uitsterven hoeven
we dus voorlopig niet bang te zijn. Omdat de consequenties van demografische veranderingen zo groot zijn, is rustig demografisch vaarwater
erg belangrijk. Nu het uiteinde lijk kindertal per geboortegeneratie vrouwen in Nederland min of meer constant is geworden, hoewel met 1,8
net iets onder het vervangingsniveau, is een veel rustiger demografisch regime binnen handbereik. Laten we dat vooral niet verstoren.
Bevolkingskrimp is een logisch uitvloeisel van hetgeen een aantal decennia geleden niet alleen demografisch maar ook sociaaleconomisch
in gang is gezet: het op veel grotere schaal bereiken van hogere opleidingen, massalere arbeidsmarktparticipatie, zelfontplooiing, andere
normen en waarden ten aanzien van gezin en samenleving.
Een uitvoeriger versie van dit artikel is verschenen onder de titel “Ideale samenleving gloort bij tijdige aanpassing aan bevolkingskrimp”
in Christen Democratische Verkenningen 29 (herfst 2008), pp. 126-133.
demodata
Ouderen met hoog inkomen zijn gezonder
Naarmate het inkomen hoger is, hebben ouderen (50-80 jaar)
een betere fysieke en psychische gezondheid. In de periode 2004–2006 had
18 procent van de ouderen in de laagste inkomensklasse een slechte
fysieke en 16 procent een slechte psychische gezondheid. Deze
percentages zijn voor ouderen uit de hoogste inkomensklasse
respectievelijk vier en zeven procent. Oudere vrouwen hebben een minder
goede fysieke en psychische gezondheid dan oudere mannen. Desondanks
scoren zowel mannen als vrouwen met een hoog inkomen beter op deze
gezondheidsaspecten dan mannen en vrouwen met een laag inkomen (CBS).
Overledenen laten tien miljard euro na
In 2005 bedroeg in Nederland het door overledenen nagelaten
privévermogen ruim 9,6 miljard euro. Er zijn grote verschillen in de
omvang van de nagelaten privévermogens. Ruim een derde van de erflaters
laat minder dan 10.000 euro na, bijna twee derde van de erfenissen is
minder dan 50.000 euro. Van de nalatenschappen is 11 procent groter dan
200.000 euro. Deze hebben betrekking op bijna zes miljard euro van het
totale nagelaten bedrag. Van de erflaters laat twee procent meer dan
500.000 euro na. Het gaat hierbij echter wel om een totaal bedrag van
ruim 2,8 miljard euro. Het gemiddeld nagelaten bedrag is hier bijna 1,1
miljoen euro. Bijna alle nalatenschappen bevatten banktegoeden. Deze
bedragen gemiddeld 32.000 euro. In 15 procent van de nalatenschappen
zitten effecten. De gemiddelde waarde hiervan is 118.000 euro. De totale
privébezittingen bedragen bijna 10,6 miljard. Naast bezittingen worden
ook schulden nagelaten. Bijna 16 procent van de nalatenschappen omvat
een hypotheekschuld. De totale waarde hiervan is ongeveer één miljard
euro. Ruim een kwart van de 110.000 erflaters laat een eigen woning na
met een gemiddelde waarde van 162.000 euro. De gemiddelde
hypotheekschuld bedraagt 54.000 euro. Bij de nalatenschappen van ouderen
vanaf 65 jaar komt een hypotheek minder vaak voor. De gemiddelde
hypotheekschuld is voor deze groep met 40.000 euro ook aanzienlijk
lager. Bij één procent van de nalatenschappen ten slotte zijn de
schulden groter dan de bezittingen (CBS).